De CAN-analyzer-I/O decodeert analoge data tot CAN-data.
De bron voor de analyzer kan zowel het differentiële CAN-signaal (aanbevolen) zijn of het
CAN-high-signaal.
De gedecodeerde velden kunnen weergegeven worden in een Datagrid-sink.
De volgende velden worden uit de CAN-data gehaald door de analyzer:
| Veldnaam | Functie |
|---|---|
| Identifier (ID) | een (unieke) identificatie voor de data |
| Remote transmission request (RTR) | Indien 1 wordt remote data gevraagd |
| Identifier extension bit (IDE) | Indien 1 bestaat de data uit 29 in plaats van 11 bits |
| Gereserveerd bit (R1) | Gereserveerd bit, alleen in extended formaat |
| Gereserveerd bit (R0) | Gereserveerd bit (moet dominant (0) zijn, maar wordt dominant en recessief geaccepteerd) |
| Data length code (DLC)* | Aantal bytes data (0-8 bytes) |
| Data | Verzonden data (lengte aangegeven met DLC-veld) |
| CRC | Cyclic Redundancy Check |
| CRC delimiter | Moet recessief (1) zijn |
| Acknowledged | Geeft aan of de boodschap bevestigd is |
| ACK delimiter | Moet recessief (1) zijn |
| Errors | Eventuele fouten die in de boodschap gedetecteerd zijn |
Een voorbeeld van gedecodeerde CAN-data is hieronder getoond.
Meting aan een CAN-bus in een auto, met gedecodeerde CAN-data.
Om het gedrag van een CAN-analyzer-I/O aan te passen zijn diverse instellingen en acties beschikbaar. Deze zijn beschikbaar via een popupmenu dat getoond wordt als met rechts op de I/O geklikt wordt in het objectscherm.
Voor een juiste detectie van de CAN-boodschappen moet de Bitrate-instelling op de juiste waarde gezet worden, overeenkomstig met de instelling van de CAN-bus waaraan gemeten wordt. Er zijn diverse vaste waarden beschikbaar en het is ook mogelijk zelf een waarde in te vullen.
Voor juiste flankdetectie gebruikt de CAN-analyzer een niveau waarmee het gemeten signaal vergeleken wordt: alle delen van het signaal hoger dan dit niveau worden als "hoog" beschouwd, alle delen lager dan dit niveau worden als "laag" beschouwd. De instelling Middenniveau staat standaard op 0.7 Volt.
De weergegeven naam van een object kan aangepast worden door het object een Alias te geven. Dit kan handig zijn wanneer veel objecten gebruikt worden en het lastig is ze uit elkaar te houden. Als aan een batterij gemeten wordt, is het bijvoorbeeld mogelijk de alias op "batterij" te zetten. Klik op Alias... in het popupmenu om de alias in te stellen. Om een alias te verwijderen en terug te keren naar de oorspronkelijke naam van het object moet een lege alias opgegeven worden.
Wanneer meer bronnen of I/O's worden weergegeven in een grafiek of een meter, kunnen ze van elkaar onderscheiden worden met hun Kleur. Drie kleurinstellingen zijn beschikbaar voor bronnen of I/O's:
Om alle bronnen van een I/O of sink in een keer te ontkoppelen kan de actie Ontkoppel alle bronnen gebruikt worden.
Om een of meer sinks van een I/O of bron te ontkoppelen, kan de actie Ontkoppel ontvanger(s) gebruikt worden. Deze actie toont een lijst met alle aangesloten objecten. Individuele objecten kunnen geselecteerd en ontkoppeld worden van het object.
Om alle sinks van een I/O of bron in een keer tegelijk te ontkoppelen, kan de actie Ontkoppel alle ontvangers gebruikt worden.
Wanneer een nieuw object, gelijk aan een al bestaand object, gemaakt moet worden met dezelfde instellingen, kan de Kloon-actie gebruikt worden. Dit maakt een identieke kopie van het oorspronkelijke object, met dezelfde instellingen. Bron(nen) en sink(s) van het nieuwe object zijn nog niet aangesloten.
De actie Verwijder verwijdert een bron, I/O of sink. Alle verbindingen worden ontkoppeld en het object wordt verwijderd uit het objectscherm. De ingang van de objecten die dit object als bron gebruikten wordt gewist. De uitgang van de objecten die dit object als sink gebruikten wordt gewist. Een as in een grafiek die als sink was aangesloten op dit object wordt ook verwijderd.
De actie Exporteer data maakt het mogelijk de data in een object naar een bestand te exporteren. Dit wordt uitgebreid beschreven op de pagina over Data exporteren.
De actie Openen maakt het mogelijk instellingen en data voor een object uit een TPS- of TPO-bestand te lezen. Dit wordt uitgebreid beschreven op de pagina over Inlezen in geselecteerde objecten.
De actie Opslaan als ... maakt het mogelijk instellingen en data van een object in een TPO-bestand op te slaan. Als meer objecten zijn geselecteerd, worden alle objecten en hun onderlinge verbindingen opgeslagen. Dit wordt uitgebreid beschreven op de pagina over Objecten opslaan in een TPO-bestand.